Spraak is onderdeel van wie je bent. Bij ALS kan dat veranderen. Logopedist Julia van der Meer en onderzoeker Lobke Petit van het ALS Centrum zien hoe ingrijpend dat is, en zoeken naar manieren om mensen te helpen. Niet alleen met slimme hulpmiddelen, maar ook met kennis over wat communicatie zo moeilijk maakt als de spraak verandert. “Een hulpmiddel is niet hetzelfde als een oplossing.” Daarom onderzoeken ze wat écht verschil maakt.

Bij veel mensen met ALS, PSMA of PLS verandert de spraak op een gegeven moment. De spieren die nodig zijn voor het spreken, bewegen minder goed. Die zitten in de tong, de lippen en de keel. Woorden worden minder duidelijk, de
stem zachter. Praten kost meer tijd en meer energie. Niet iedereen met ALS verliest diens spraak helemaal. Maar voor wie dat wel meemaakt, is het heel ingrijpend.

Meer dan woorden
“Spraak is een deel van je identiteit”, vertelt Julia, logopedist in het ALS-behandelteam van het UMC Utrecht. “Het is hoe je je emoties overbrengt. Hoe je je wensen duidelijk maakt. Als je dat makkelijk kunt, merk je vaak niet eens hoe vanzelfsprekend dat is.”

Er bestaan al veel communicatiehulpmiddelen voor mensen met ALS. Van eenvoudige communicatiekaarten tot geavanceerde spraakcomputers met oogbesturing. Maar een hulpmiddel is niet hetzelfde als een oplossing. “Je kunt het beste apparaat hebben,” zegt Julia. “Maar als het niet bij je past, of als je je schaamt om het te gebruiken, dan werkt het toch niet.”

De oplossing zit niet alleen in het hulpmiddel
Lobke onderzoekt hoe mensen met ALS beter kunnen meedoen in gesprekken die voor hen belangrijk zijn. Ze bedenkt samen met mensen met ALS en hun naasten oplossingen voor situaties die zij zelf belangrijk vinden.

Dat doet ze niet alleen vanuit haar werkkamer. Ze loopt mee in het dagelijks leven en beleeft samen met hen
situaties die ertoe doen. Zoals kletsen met een vriendin in het café, of zelf iets bestellen bij de visboer. “In het
interview vertelt iemand wat die moeilijk vindt”, legt Lobke uit. “Maar als ik erbij ben, zie ik ook wat er echt gebeurt. Dat iemand zich terugtrekt als signalen niet worden opgepikt. Of dat de communicatie wordt overgenomen voordat diegene de kans krijgt zelf iets te zeggen. In een nagesprek komen dan gevoelens als machteloosheid of schaamte naar voren.”

Maar het is een persoonlijke keuze, en niet voor iedereen voelt die goed. Een van de deelnemers aan Lobke’s onderzoek had al vroeg zijn stem opgenomen. “Het gaf hem rust om zijn stem bewaard te hebben”, vertelt ze. “Maar later zei hij: die stem ben ik niet meer. Zo klink ik niet meer. En toen wilde hij hem ook niet meer gebruiken. Dat gevoel, dat gat, is ook een verlies.”

Wanneer is dan een goed moment om hierover na te denken? Een vast antwoord is er niet. Julia zegt erover: “Je bent eigenlijk zelden te vroeg. Nadenken erover, verkennen wat er bestaat, dat kan al heel snel. En het blijft altijd iets persoonlijks. Wat voor de één goed voelt, hoeft voor de ander niet zo te zijn.”

Julia van der Meer
Logopedist ALS Centrum
"Het ongemak zit meestal aan twee kanten."

Meedoen in een groepsgesprek: niet vanzelfsprekend
Een van de dingen die steeds terugkomt in het onderzoek van Lobke, is hoe moeilijk groepsgesprekken zijn. Een
verjaardag, een etentje met vrienden. Mensen met ALS kunnen met hun hulpmiddel prima een boodschap overbrengen. Maar in een groep lukt het vaak niet om aan te haken. Anderen pikken niet altijd op dat iemand ook mee wil doen. Het gesprek gaat te snel, en wanneer de boodschap eindelijk uitgetypt is, zijn ze alweer verder. “Dan werkt het hulpmiddel technisch gezien wel,” zegt Lobke, “maar het erbij horen, het meedoen, valt weg.”

Ook de mensen eromheen vinden het moeilijk. “Als iemand ineens niet meer goed kan praten, weet je als vriend vaak ook niet goed wat je moet doen”, zegt Julia. “Moet ik raden wat iemand bedoelt? Is het onbeleefd als ik doorga? Het ongemak zit meestal aan twee kanten.”

Met elkaar afspreken hoe het fijner kan
Wat Lobke opvalt in haar gesprekken met mensen met ALS, is dat ze tijdens het onderzoek ontdekken welke afspraken ze eigenlijk met hun gesprekspartners kunnen maken. “Mensen beseffen dan: ik kan hier gewoon iets over zeggen. Ik kan vragen of iemand dichter bij me komt zitten. Of zijn telefoon weglegt. Of even wacht op mijn antwoord.” Want ook de ander weet niet altijd wat helpt. En als diegene dat wél weet, is het al een stuk makkelijker. “Als je samen kunt zeggen: laten we het zo doen, dan kan er veel veranderen in een gesprek, voor beide kanten.”

Door ALS verandert ook de rol van de partner in groepsgesprekken. “Ze worden een soort manager van het gesprek”, vertelt Lobke. “Ze houden het gesprek op gang, vragen anderen even te wachten. Dat komt voort uit liefde. Maar het heeft ook een keerzijde: het heeft invloed op de autonomie van degene met ALS.” Soms wil iemand dat de partner die rol pakt. En soms wil diegene juist zelf het woord. Julia vult aan: “Partners vertellen soms dat het niet fijn voelt om vrienden en familie te moeten corrigeren. Hele dynamieken veranderen.” Ook dat is iets dat partners met elkaar kunnen bespreken.

Wat technologie niet kan
Hoe goed communicatiehulpmiddelen ook worden, er is iets wat ze niet kunnen overnemen: het gevoel van verbinding in het contact. Lobke beschrijft hoe iemand met een oogbestuurde computer prima zijn boodschap kan overbrengen, terwijl de gesprekspartner naast hem meeleest op het scherm. “Dan kijken ze samen naar het scherm, en is er geen oogcontact meer. Er is communicatie, maar de verbinding valt weg.” Julia: “Ik geloof heel erg in technologie. Én ik geloof ook in menselijkheid. Soms is iets op papier krabbelen, met een mooie letter en een hartje erbij, net zo krachtig als het best werkende apparaat. Die twee gaan voor mij samen.”

Het onderzoek zet nu al iets in gang
Lobke hoopt dat ze einde dit jaar klaar is met alle gesprekken en ontwerpsessies met de deelnemers. Daarna kan ze meer vertellen over wat het onderzoek aan concrete oplossingen heeft opgeleverd. Maar er is nu al beweging. “Na zo’n gesprek zeggen mensen al: hé, dit ga ik eens proberen. Of: dit ga ik bespreekbaar maken. Puur door het erover te hebben, komen er al nieuwe ideeën.” Dat raakt haar, want de deelnemers geven veel. Ze laten Lobke toe in hun dagelijks leven. Ze eten samen patat met de kinderen erbij. Ze gaan samen naar de markt. “Dat is heel bijzonder”, zegt ze. “Ik hoop dat we hen ook iets kunnen teruggeven.”

Julia sluit af met een wens. “Ik hoop dat dit onderzoek laat zien dat communicatie veel meer is dan een boodschap overbrengen. Het gaat over zelfvertrouwen. Over durven meedoen. Over verbinding. Technologie kan daarbij helpen. Want ruimte maken voor écht contact, daar begint het mee.”

Tekst: Tessa Lange, verschenen in ALSNU van juli 2026.